Gepost door: Erwin Tommissen | juli 6, 2009

Roberto Bolaño – ‘De wilde detectives’

De Mexicaanse vallei des doods

Bolano_DetectivesMet de publicatie van zijn megalomane roman ‘2666′ groeide de in 2003 op amper 50-jarige leeftijd overleden Chileense schrijver Roberto Bolaño postuum uit tot een internationaal gehypete schrijver die door het verzamelde recensentengild vergeleken werd met absolute grootheden van de Latijns-Amerikaanse literatuur als Gabriel Garcia Marquez en Mario Vargas Llosa.

Aanvankelijk wees niets er echter op dat Roberto Bolaño een groot romancier zou worden. Als jonge volwassene die opgroeide in Mexico was hij voornamelijk gefascineerd door poëzie. Samen met de dichter Maria Santiago richtte Bolaño een op realisme en dadaïsme geschraagd schrijversgenootschap op dat als voornaamste doel had het werk van de Mexicaanse dichter Octavio Paz onder vuur te nemen.

Toen hij op zijn 37ste vader werd en tegelijkertijd te horen kreeg dat hij aan een fatale leverziekte leed, gooide het toenmalige enfant terrible Bolaño zijn leven radicaal over een andere boeg. Hij wilde tijdens de jaren die hem nog restten zijn plaats in de wereldliteratuur veroveren, en in een ongeziene opstoot van creativiteit begon hij een indrukwekkend oeuvre bij elkaar te schrijven. Zowat het bekendste boek uit zijn nalatenschap is – naast het onvermijdelijke ‘2666′ – de kloeke roman ‘De wilde detectives’.

De korte inhoud van het boek lijkt verdacht veel op de baldadige jeugd van de poëtische tafelspringer Roberto Bolaño. In ‘De wilde detectives’ gaan de Mexicaanse dichters Arturo Belano en Ulises Lima, de leiders van een groep dichters die zich de reëel visceralisten noemen, in ware Don Quichot-stijl in de woestijn op zoek naar een verdwenen Mexicaanse dichteres uit een vorige eeuw.

Het wedervaren van Belano en Lima wordt in geuren en kleuren verteld door meer dan vijftig bevoorrechte getuigen van hun escapades. In het begin van de roman doet de literair geëngageerde rechtenstudent Juan Garcίa Madero zijn relaas, maar gaandeweg neemt een bont allegaartje van onder anderen schrijvers, kunstenaars, serveersters, prostituees en zelfs misdadigers de vertelhonneurs waar. Aangezien Bolaño er nooit een geheim van gemaakt heeft dat hij eigenlijk liever detective dan schrijver was geworden, is het niet verwonderlijk dat er uiteindelijk een detective in het verhaal opduikt die het hachje van de intussen zelf ook vermiste Belano en Lima moet proberen te redden.

Bolaño’s ambitieuze verteltechniek met constant afwisselende vertellers zal wellicht geen spek voor ieders bek zal zijn. Het is immers niet evident om meer dan 500 pagina’s lang een verhaal vanuit telkens weer een andere invalshoek te beleven, ook gezien het feit dat de spanningsboog niet altijd even strak gespannen staat. Zodra je echter begeesterd bent door deze niet-alledaagse vertelstijl, word je overrompeld door een in wellustige zinnen geschreven verhaal waarin moord, corruptie en vooral de Mexicaanse literaire scène de hoofdrol spelen. Samen met de vele verwijzingen naar ‘2666′ maakt dit van ‘De wilde detectives’ een zwierig elegante roman waarin je meegenomen wordt op een beklijvende wandeling door de valleien des doods van de Mexicaanse samenleving.

We zullen helaas nooit weten tot welke grootse prestaties Roberto Bolaño nog in staat zou zijn geweest als het levenslot hem gunstiger gezind was geweest. Only the good die young, helaas. Gelukkig heeft hij met onder meer ‘De wilde detectives’ enkele indrukwekkende boeken nagelaten die blijvend getuigenis afleggen van zijn uitzonderlijke literaire talent.

© Erwin Tommissen
Oorspronkelijk gepubliceerd op CuttingEdge.be

Multimedia:

  • Een interview met Roberto Bolaño:

  • Familie en literaire vrienden over Roberto Bolaño:

Gepost door: Els Hesemans | mei 28, 2009

Linda Grant – ‘De kleren die wij dragen’

Schijn bedriegt

Grant_De kleren die wij dragen_jpeg‘De kleren die wij dragen’ in een notendop? Een toegankelijke en boeiende roman over een Hongaars-joodse migrantenfamilie in het naoorlogse Londen. Auteur Linda Grant – zelf dochter van Poolse en Russische joden – tovert het verhaal van de migrantenfamilie Kovacs om tot een vlotte en welgeschreven klassieke Engelse roman.

Al vanaf de eerste pagina weet Linda Grant de aandacht van de lezers te trekken door de zeer vlotte schrijfstijl en de sluier van mysterie waarin de verschillende personages zijn gehuld. Het verbaast ons dan ook niet dat deze roman een nominatie kreeg voor de Booker-shortlist.

Hoofdpersonage Vivien Kovacs is de dochter van het Joodse echtpaar Ervin en Bertha Kovacs, een koppel dat in 1938 uit Hongarije is gevlucht en in Londen terechtkwam. Viviens ouders leven er als grijze muizen en houden er een kalm en heel teruggetrokken leven op na. Dit is ook duidelijk zichtbaar in de kleren die ze dragen: vreemde, haast vormeloze stukken stof die hen ook bijna echt onzichtbaar maken.

Dochter Vivien wordt gek van hun voorzichtige levensstijl en wil zich koste wat het kost uit het keurslijf wringen dat haar ouders haar aanmeten. Aangezien ze met geen woord reppen over hun afkomst, gaat Vivien om meer te weten te komen over haar Hongaars verleden uiteindelijk ten rade bij haar oom – Ervins broer – Sándor Kovacs. Hij is haar vaders tegenpool, gaat gekleed in flamboyante kledij, verdient zijn geld in de prostitutie en huisjesmelkerij en symboliseert kortom al datgene waarvoor Ervin helemaal niet staat.

Linda Grant baseerde het personage van Sándor Kovacs op het leven van de beruchte huizeneigenaar Peter Rachman, een Poolse migrant die in een Siberich werkkamp zat tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het levensverhaal – en vooral de tegenstrijdigheden in het karakter – van Ervin en Sándor Kovacs weet Linda Grant subliem in de verf te zetten. Als lezer zou je denken dat Ervin het goede (harde en eerlijke werker, plichtsbewust) en Sándor het slechte (pooier, ongevoelig, huisjesmelker) belichaamt, maar dat is juist wat Grant in vraag stelt. Wat is goed? Wat is slecht?

Iedereen veronderstelt dat Sándor slecht is, of alleszins achterdocht opwekt, door de kleren waarin hij verschijnt – duur pak, Rolex om de arm, omringd door zwarte dames – en door de manier waarop hij zich gedraagt, maar dit blijkt vaak enkel schijn. Niet alleen dienen kleren om dingen te tonen, zoals bijvoorbeeld uiterlijk vertoon, maar heel vaak ook om dingen te verhullen.

In de roman, die zich afspeelt tegen de achtergrond van het naoorlogse Londen, toont Grant duidelijk aan dat niet Sándor de boeman is, maar dat het echte kwaad schuilgaat in het racistische National Front dat op het einde van de jaren zeventig in de Londense achtergestelde wijken vernieling en een hele hoop miserie veroorzaakte.
Met haar ouders en ooms verleden in gedachten trekt Vivien de straat op als reactie tegen deze racistische beweging. Hiermee toont ze aan dat ze niet alleen Sandors nicht is – vol passie onderneemt ze actie – maar ook haar ouders dochter. Ze heeft namelijk ook de voorzichtigheid waarmee dingen worden aangepakt, overgeërfd. Dat uit zich in Viviens gekozen vorm van actie voeren: ze deelt pamfletten uit.

‘De kleren die wij dragen’ is een roman die de lezer verder doet kijken dan de uiterlijke schijn en de mens achter de façade van naderbij gaat bekijken. Het is een boek geworden over de dubbelzinnigheid van uiterlijk vertoon, eentje die niet in je koude kleren kruipt en de lezer steevast gekluisterd houdt in de zetel. Een boek met degelijke inhoud, zo mochten er meer zijn.

© Els Hesemans
Oorspronkelijk gepubliceerd op CuttingEdge.be

Multimedia:

  • Twee interviews met Linda Grant over haar nieuwe roman ‘De kleren die wij dragen’:

Gepost door: Els Hesemans | mei 13, 2009

Isabel Fonseca – ‘Gebonden’

Een dubbeltje op zijn kant

Fonseca_Gebonden_jpegHoe begin je aan een debuutroman? Ons lijkt het het gemakkelijkst om in eerste instantie gebeurtenissen uit je eigen leven als inspiratiebron te gebruiken. Dat moet Isabel Fonseca ook gedacht hebben toen ze ‘Gebonden’ neerpende. Hoewel het verhaal van ‘Gebonden’ niet volledig overeenkomt met haar eigen leven zijn er toch een aantal overduidelijke parallellen aanwezig.

Jean Hubbard, het hoofdpersonage uit ‘Gebonden’, is namelijk net als de auteur, een 46-jarige New Yorkse vrouw die als studente naar Londen is afgezakt en daar een Britse man heeft leren kennen met wie ze getrouwd is. Bij het begin van de roman genieten Jean en haar man Mark van een sabbatjaar op een tropisch eiland. Het toeval wil dat ook Isabel Fonseca en haar bekende echtgenoot, schrijver Martin Amis, dat gedaan hebben.

Of wat er verder in het verhaal allemaal gebeurt ook zijn oorsprong heeft in het huwelijk van de familie Amis, daar hebben we het raden naar. Waarschijnlijk niet. In ‘Gebonden’ komt de New Yorkse Jean Hubbard er namelijk achter dat haar man Mark een affaire heeft met de 26-jarige ‘Giovana’. Jean ontdekt de ontrouw van haar man via een liefdesbrief die zij heeft onderschept. Hierin vermeldt zijn minnares dat zij een speciale e-mailaccount aangemaakt heeft. In plaats van haar man te confronteren met zijn overspel kiest Jean ervoor om zelf op onderzoek uit te gaan en een e-mailcorrespondentie met Giovana aan te gaan, waarin ze zich voordoet als Mark.

Erotische foto’s worden uitgewisseld en Jean raakt meer en meer verstrikt in een achterdochtig en geheim dubbelleven, waarbij ze haar huwelijk in vraag gaat stellen en zich afvraagt in welke mate je iemand echt kent. Naast deze geheime e-mailaffaire zijn er nog een aantal verrassend onaangename zaken die Jeans leven bemoeilijken: zo raakt haar vader in coma, verlaat haar dochter Victoria het veilige nest, heeft zij te kampen met een alarmerend borstonderzoek en heeft ze zelf ook, tegen haar eigen principes in, onverwacht een onenightstand.

Je kan niet zeggen dat er niets gebeurt in ‘Gebonden’, maar van een echte plot is weinig of geen sprake. Sommige gebeurtenissen zijn er met de haren bij getrokken en wekken de indruk dat Fonseca zoveel mogelijk evenementen in één boek wil proppen, met een uiterst negatief effect op het leesplezier van de lezer. Je voelt dat Fonseca alle moeite van de wereld doet om de spanning erin te houden, maar ze slaagt daar jammer genoeg niet in. Halverwege het boek is alle schwung weg en moet je jezelf echt motiveren om het boek uit te lezen. De enige stimulans is de nieuwsgierigheid naar het slot.

Hoe in godsnaam gaat Fonseca een einde breien aan de verschillende tragische gebeurtenissen die Jeans pad hebben gekruist? Komt het nog goed met haar huwelijk? Heeft haar man Mark een midlifecrisis, of is zij eigenlijk degene die ermee kampt? Eerlijk gezegd zal het ons worst wezen. De gebeurtenissen zorgen voor verwarring in Jeans leven en doen haar beseffen wat ze echt van het leven verwacht. ‘Gebonden’ doet ons beseffen wat wij verwachten van een debuutroman. Hoewel de eerlijkheid ons gebiedt te vermelden dat er af en toe wel humor terug te vinden is, kon de roman ons maar matig boeien. Je zou kunnen zeggen ‘alle begin is moeilijk’, zeker voor een schrijver. Een bekende auteur als echtgenoot hebben is altijd mooi meegenomen, al was het maar voor de publiciteit.

© Els Hesemans
Oorspronkelijk gepubliceerd op CuttingEdge.be
Gepost door: Erwin Tommissen | mei 5, 2009

K. Schippers – ‘De hoedenwinkel’

Taalzwangere literatuur

schippers_hoedenwinkelK. Schippers werd een tijdje geleden aangezocht om de straten van een Arnhemse woonwijk-in-aanbouw van namen te voorzien. De Nederlandse schrijver die in 1936 als Gerald Stigter werd geboren, wimpelde na enig overdenken het verrassende verzoek beleefd af, maar toch bleef het straatnaamproject nog enige tijd door zijn gedachten spoken. Zodanig zelfs dat de zoektocht naar gepaste straatnamen de aanleiding vormde voor de nieuwe roman van de voormalige laureaat van de P.C. Hooftprijs, die in 2006 nog de Libris Literatuurprijs in de wacht sleepte met zijn roman ‘Waar was je nou?’.

Sandra Driebeecke, het hoofdpersonage in ‘De hoedenwinkel’, werkt als verkoopster in een warenhuis en wil haar leven een nieuwe wending geven door een hoedenwinkel te openen in Amsterdam. Terwijl ze nog volop in beslag wordt genomen door de inrichting van haar hoofddekselwinkel, krijgt ze van een stedenbouwkundige de vraag om straatnamen te bedenken voor het spiksplinternieuwe dorpje Landerije. In die nieuwe leefgemeenschap op zo een twaalftal kilometer buiten de grote stad beginnen de huizen en staten immers als paddenstoelen uit de grond te schieten, maar van passende straatnamen ontbreekt nog steeds elk spoor.

Om inspiratie op te doen, kuiert Sandra vaak urenlang door de straten van Landerije. Tijdens die queeste naar straatnamen, krijgt de hoedenverkoopster na verloop van tijd steeds meer het gevoel dat het dorp met de naamloze straten zich op de één of andere manier verzet tegen de toekomstige naamgeving. De straten willen geen naam krijgen en laten op hun beurt dus maar de taal uitvallen. Woorden verdwijnen plotseling van borden en voor Sandra het goed en wel beseft, verschijnen er ineens ook vreemde teksten op de gevels van de huizen.

Het relaas van de hoedenwinkel gebruikt K. Schippers echter alleen maar als een kapstok om een veel prangendere kwestie aan op te hangen: de onschatbare waarde van de taal. Op elk moment van de dag speelt taal een essentiële rol in ons leven, vaak zelfs zonder dat we het echt beseffen. Communiceren met anderen is bijvoorbeeld alleen maar mogelijk dankzij het wonder van de taal. Net zoals we ons zonder taal als uitdrukkingsmiddel amper zouden kunnen oriënteren en verplaatsen in de ons omringende wereld.

Maar wat zou er gebeuren als die levensnoodzakelijke taal plotseling zou ophouden te bestaan? Is het misschien mogelijk dat foto’s dan de rol van de taal zullen overnemen? K. Schippers lijkt het alvast te suggereren, want nadat Sandra na de ‘taaluitval’ niet meer over de taal kan beschikken, zoekt ze haar toevlucht tot uitgeknipte plaatjes en foto’s om de taalarme ruimte om haar heen te vullen.

‘De hoedenwinkel’ is geen rechttoe rechtaan vertelde roman die gemakkelijk te doorgronden is. Integendeel zelfs, doordat K. Schippers constant inbreekt in zijn verhaal – niet alleen door het invoegen van foto’s, maar ook door een vaak wisselende typografie – is dit een boek dat de nodige leesinspanning vereist en dus geen spek voor ieders bek zal zijn.

K. Schippers heeft geen luchtig verhaal met een makkelijk te volgen rode draad afgeleverd, maar wel een ingenieus taalspel dat opgebouwd wordt via kleine gebeurtenissen en bijzonder nauwkeurige observaties. Door de vele verwijzingen naar dingen in en buiten de roman, is het bovendien ook een boek dat zijn geheimen pas echt prijsgeeft bij een tweede leesbeurt.

Slaag je er echter in om de taalzwangere literatuur van K. Schippers laag voor laag te doorgronden, dan openbaart zich een dromerige roman over ruimte en taal, waarbij de liefde schalks om het hoekje komt piepen.

© Erwin Tommissen
Oorspronkelijk gepubliceerd op CuttingEdge.be

Multimedia:

Gepost door: Els Hesemans | april 28, 2009

Bart Moeyaert – ‘Graz’

Eelt op je ziel

moeyaert_graz_jpegIn opdracht van TG Stan schreef Bart Moeyaert ‘Graz’, een flinterdun boekje dat uiteindelijk een novelle voor volwassenen werd. Moeyaert haalde zijn inspiratie in het gelijknamige Oostenrijkse stadje waar hij o.a. voor lezingen tijd doorbracht en waar hij gefascineerd raakte door een apotheek aan de overkant van zijn hotel.

Hoofdpersonage is Herman Eichler, een 28-jarige jongeman die na de dood van zijn ouders en grootouders de apotheek van zijn vader overneemt. De trigger van het hele verhaal is een ongeluk dat voor de apotheek gebeurt: een fietser wordt overreden en vindt op straat de dood – dat vermoedt Herman toch. Naar goede gewoonte maakt hij ’s avonds voor het slapengaan een nachtwandeling, ook op die bewuste avond.

Het voorval bezorgt Herman een slapeloze nacht, zijn gedachten over zijn eigen leven slaan op hol. Waarom is hij net in het spoor van zijn vader terecht gekomen, en zijn vader in het spoor van diens vader? Het ongeluk is het begin van een zoektocht, niet alleen naar zijn verleden, maar ook naar zijn toekomst. Hoe geraakt hij precies los van zijn verleden?

‘Graz’ bundelt de vertellingen van twee nachten tijdens dewelke Herman een nachtelijke wandeling doorheen de besneeuwde koude stad maakt. De eerste nacht vindt plaats in het verleden en keert terug naar het moment dat Hermans vader kenbaar maakt dat hij wil stoppen met de apotheek en dat Herman deze nu zelf moet gaan leiden. Tijdens deze nachtwandeling ontmoet Herman een vrouw die later een goeie vriendin wordt. De tweede nacht speelt zich af in het heden: de nacht waarin het ongeluk met de fietser plaatsvond. Tijdens de nachtwandeling in de sneeuw die hierop volgt, komt Herman een man tegen.

‘Graz’ betekent etymologisch ‘kleine burger’, een ideale beschrijving van Herman zelf. Hij is niet in het reine met zichzelf en begint als het ware aan een zoektocht naar zijn identiteit. Een man met eelt op zijn ziel. Om zichzelf te leren begrijpen, speelt een goeie vriendin van Herman hem een boek toe. Boeken hebben er door de eeuwen heen voor gezorgd dat mensen hun identiteit konden ontdekken. Moeyaert zelf, bijvoorbeeld, geeft toe dat hij op zijn 20ste boeken heeft ontdekt die hem hebben geholpen om met zichzelf in het reine te komen.

Elke lezer met oog voor detail zal bij het lezen van ‘Graz’ dan ook onmiddellijk opmerken dat er voor het begin van elk hoofdstukje een citaat staat van bekende schrijvers. Komen o.a. aan bod: Waugh, Woolf, Slater en Albee. Het ontdekken van je eigen identiteit, de nakende homoseksualiteit, de worsteling tussen ouders en kinderen, de nostalgie van de kindertijd, de onbegrijpelijke liefde, het zijn allemaal onderwerpen die worden aangesneden in ‘Graz’.

Moeyaerts uitmuntende schrijfstijl geeft niet alleen deze thema’s op poëtische en literair hoogstaande wijze weer maar slaagt er ook in om de stad Graz in prachtige details te beschrijven. Niet enkel in de letterlijke betekenis, zijn beschrijvingen zijn vaak ook figuurlijk te plaatsen. Zo gebruikt Moeyaert de bezienswaardigheid van Graz, namelijk de klokkentoren, als metafoor: hij wil zijn lezers doen luisteren naar de oorverdovende stilte, net voor en net na het luiden van de klokken.

‘Graz’ is een kort maar krachtig boekje over de zoektocht naar iemands identiteit, een absolute must have voor alle Moeyaertfans. Wie de theatervoorstelling ‘Stukken’ nog wil zien: de laatste opvoering vindt plaats op 16 mei.

© Els Hesemans
Oorspronkelijk gepubliceerd op CuttingEdge.be

Multimedia:

  • Bart Moeyaert praat over ‘Graz’ in Bladwijzer van PBC Antwerpen (na 7 minuten)

Gepost door: Erwin Tommissen | april 23, 2009

Edgar Hilsenrath – ‘De thuiskomst van Jossel Wassermann’

De kracht van het woord

hilsenrath_wassermanDe inmiddels 83-jarige joods-Duitse schrijver Edgar Hilsenrath heeft een bewogen leven achter de rug. In 1938 ontvluchtte hij het door de terreur van de ‘bruine bataljons’ geteisterde Duitsland. Samen met zijn moeder en zijn jongere broer Manfred vertrok Hilsenrath naar zijn grootouders in Siret, een klein Roemeens stadje. Toen in Roemenië vervolgens een fascistische regering aan de macht kwam, kon de familie Hilsenrath uiteindelijk ook niet meer aan de progroms ontsnappen. In 1941 werden de drie leden van het gezin naar Oekraïne gedeporteerd, waar ze in het joods getto van Moghilev-Polosk terechtkwamen. Vijfentwintigduizend joden vonden ten gevolge van tyfus en cholera de dood in het Oekraïnse getto, maar Edgar Hilsenrath en zijn naasten overleefden het nazistische inferno en werden in 1944 bevrijd.

Edgar Hilsenrath maakte in Siret op jonge leeftijd kennis met de langzaam gegroeide zeden en gewoonten van de joodse cultuur en godsdienst. Hij hoorde de verhalen die zijn dorpsgenoten vertelden en kwam dankzij zijn grootvader allerlei wetenswaardigheden over het verre verleden van zijn familie te weten.

Alle kennis en levenservaring die Hilsenrath in Siret heeft opgedaan, heeft in een fictieve vorm zijn neerslag gekregen in ‘De thuiskomst van Jossel Wassermann’. Het hoofdpersonage is een schatrijke matsesfabrikant die in de nazomer van 1939 op zijn sterfbed zijn levensverhaal en dat van de joden uit Pohodna aan Thora-schrijver Eizik vertelt. Eizik, de man met het mooiste handschrift van het dorp, kan de door Wassermann vertelde autobiografie dan aan het papier toevertrouwen en bewaren ter nagedachtenis van Jossel Wassermann en het hele joodse volk.

Stap voor stap dring je in ‘De thuiskomst van Jossel Wasserman’ dieper door in een levendige en kleurrijke sjtetl aan de oostgrens van de oude Donau-monarchie die door de Holocaust uiteindelijk letterlijk van de kaart geveegd zal worden. Deze krachtige roman vormt een weemoedige aaneenschakeling van geruchten, anekdotes en wetenswaardigheden die nog eens extra intrigerend gemaakt worden door de prachtige personages die Hilsenrath met een tomeloze vertelkracht beschrijft. Denk maar aan waterdrager Jankl, aan wie Wassermann een deel van zijn vermogen zal nalaten, of aan de oude Jente die de Oostenrijkse keizer Franz Joseph I van een gewisse dood redt door een zoute haring uit zijn keel te trekken.

Alle inspanningen van Jossel Wassermann om zijn wedervaren voor het nageslacht te bewaren, blijken uiteindelijk echter vruchteloos te zijn. In de proloog komen we namelijk al te weten dat Thora-schrijver Eizik hetzelfde lot zal ondergaan als zes miljoen andere joden en in een veewagon naar een van de Duitse dodenkampen weggevoerd zal worden. Toch kan dit alles Wassermann niet deren, want hij blijft onvoorwaardelijk geloven in de kracht van het woord. Een kracht die er immers voor gezorgd heeft dat zijn volk tweeduizend jaar in de diaspora kon overleven.

Met ‘De thuiskomst van Jossel Wassermann’ heeft Hilsenrath een tijdloos meesterwerk over zijn joodse achtergrond geschreven. Na de ingrijpende leeservaring die deze roman ons bood, kunnen wij het alleen maar volmondig eens zijn met de lovende woorden die de Poolse schrijver Andrzej Szcypioski in een brief aan Edgar Hilsenrath richtte: ‘Ik heb een mooi, wijs en ontroerend boek over een verdwenen wereld te lezen gekregen. Veel lezers zullen huilen als ze uw boek lezen. En dat is goed, want onze tijd heeft tranen nodig om niet te vergeten.’

© Erwin Tommissen
Oorspronkelijk gepubliceerd op CuttingEdge.be
Gepost door: Els Hesemans | april 23, 2009

Bart Koubaa – ‘De leraar’

De maatschappijkritische onderwijsthriller bij uitstek

koubaa_de_leraar_jpegAan lerarenromans was er de laatste maanden geen gebrek. Zo dingt Rob van Essen met ‘Visser’ mee voor de Libris literatuurprijs en houdt Daniel Pennac in ‘Schoolpijn’ een vurig pleidooi voor de terugkeer van passie, rust en bevlogenheid in het onderwijs. Sinds kort is er een nieuwe lerarenroman uit, ‘De leraar’, waarin Bart Koubaa de lezer met verstomming weet te slaan met de vaak cynische en voluit racistische uitlatingen die in menige leraarskamers in beroepsscholen plaatsvinden. De roman – een boek vol maatschappijkritiek en psychologische thriller in één – is op weg om een kleine klassieker te worden in de Vlaamse Letteren.

Het hoofdpersonage is een uitgebluste 55-jarige leraar die al 27 jaar ‘Algemene Vakken’ op de afdeling automechanica doceert op een beroepsschool waar het merendeel van de allesbehalve gemotiveerde scholieren van allochtone komaf is. Via de uitlatingen van de cynische en zure protagonist ‘De Kraai’ – de bijnaam van de leraar – stelt Koubaa gaandeweg een lijstje op van de zich opeenstapelende onderwijsellende: het touwtrekken om een vaste benoeming, leraren met hartkwalen of gebrand op ziekteverlof, de overbelasting van leerplannen, het verschrikkelijke taalgevoel van de leerlingen. Het zijn enkele voorbeelden van onderwijszaken die Koubaa aan de kaak wil stellen.

Naast een openbare aanklacht tegen zaken die mislopen in het hedendaags onderwijs, is ‘De leraar’ ook een goed opgebouwde roman waarin ook humor een plaats heeft. Bepaalde fragmenten worden op luchtige wijze verteld, maar anderzijds zweeft er ook een sluier van mysterie doorheen de roman. Zo wordt er al vanaf het begin verwezen naar ‘het voorval’. De inhoud van dit incident komt op het einde van de roman pas boven water, wel duidelijk zichtbaar is dat dit voorval voor De Kraai van cruciaal belang is.

Het personage van De Kraai geeft zichzelf niet vlug prijs en blijkt achteraf ook niet te zijn wie hij in eerste instantie lijkt. Het is pas in de epiloog van de roman dat de ware aard van De Kraai zichtbaar wordt, wat de lezer gegarandeerd met verstomming zal doen slaan. Zo blijkt dat het lesgeven op zich voor De Kraai de dagelijkse gang van zaken is, maar dat wat er na de lessen zich in zijn huis afspeelde, pas het echte werk betrof. Het verbazingwekkende slot van deze psychologische thriller willen we niet verklappen, dat de kaft het gezicht is van de Amerikaanse seriemoordenaar – kannibaal Albert Fish is, is slechts een hint.

In het boek komen ook de grenzen van de menselijk moraal aan bod. Aanvankelijk is De Kraai een verstandige man met gevoel voor humor, maar op een gegeven moment slaan zijn stoppen door. Is dat omdat hij ziek geboren is? Omdat zijn vader hem verlaten heeft toen hij zes was? Of omdat hij het slachtoffer werd van een uit de hand gelopen grap? Koubaa laat het antwoord op deze vragen geheel open voor de lezer. Het einde van de roman is gewoonweg beklijvend en laat de lezer wel even huiveren. Omdat alle stukjes van de puzzel plots in elkaar passen, zou je al bijna het boek opnieuw van voor af aan willen lezen.

Wie eerder werk heeft gelezen van Koubaa, herkent in ‘De leraar’ ook enkele van zijn geliefkoosde thema’s: Japan, de neurologie en fotografie. ‘De leraar’ wordt wel eens vergeleken met ‘Bint’ van Ferdinand Bordewijk. In het boek dat in 1934 verscheen en zich in een school afspeelde, stond de verhouding tussen tucht en orde centraal en het zorgde destijds voor heel wat kritiek. ‘De leraar’ is bedoeld om wat kritiek of alleszins debat op te wekken, een ideale ‘Bint’ van de 21ste eeuw.

© Els Hesemans
Oorspronkelijk gepubliceerd op CuttingEdge.be

Multimedia:

Gepost door: Els Hesemans | april 14, 2009

Toon Tellegen – ‘Iedereen was er’

De wonderbaarlijke dierenwereld

toon-tellegen_iedereen-was-erAls dieren konden spreken, wat zouden ze dan allemaal vertellen? De Nederlandse schrijver Toon Tellegen moet zijn antwoord niet ver gaan zoeken. Inspiratie kan hij in no time uit zijn eigen fantasie putten, of door gewoon te bladeren in het uitgebreide oeuvre dierenverhalen dat hij – oorspronkelijk voor zijn eigen kinderen, daarna voor een groot publiek – heeft neergepend.

In zijn nieuwste bundel ‘Iedereen was er’ zijn verhalen terug te vinden uit zijn eerdere werk – bijvoorbeeld uit de bundels ‘Ze sliepen nog’, ‘Taartenboek’, ‘Is er dan niemand?’ en ‘Plotseling ging de olifant aan’, maar het boek telt ook vijftien nog niet eerder verschenen vertellingen. Net zoals in zijn vorige werk zijn de verhalen doorweven met fantasie en filosofie. Alle grote thema’s van het leven komen aan bod in ‘Iedereen was er’.

Tellegens grootste troef is zijn eigengereide verhaalstijl in combinatie met het spelen met taal. Hij slaagt er niet alleen in de dieren menselijke eigenschappen te geven, hij laat ze ook met simpele woorden belangrijke boodschappen verkondigen of de andere dieren op een eenvoudige manier een andere kijk op de dingen geven.

Uniek is zijn spielerei met woorden. Als de olifant aan de boktor vraagt om ervoor te zorgen dat de beer taarten kan horen in plaats van ze enkel te kunnen zien, geeft de boktor aan de beer een apparaatje mee. ‘Onmiddellijk hoorde hij overal taarten: fluitende, sissende, knarsende, klaterende, knerpende, gierende, loeiende, grommende, piepende en jubelende taarten.’ Het zijn onmogelijke dingen die met enige fantasie volledig waarheid worden en die door hun eenvoud een heel speciale betekenis geven aan de verhalen.

Wie openstaat voor fantasierijke verhalen, komt met ‘Iedereen was er’ aan zijn trekken. De dieren worden op karakteristieke wijze beschreven met elk zijn of haar plus- en minpunten, die op sublieme wijze worden weergegeven. Aan fantasie is er zeker geen gebrek, Tellegens inspiratiebron raakt niet uitgedroogd. Integendeel, op zijn vindingrijkheid staat geen grenzen. Zo is de hazelmuis op zoek naar haar verjaardag, de beer naar meer en meer en meer taarten, terwijl de boktor een uitvinder is die alles kan toveren, en voeren de schildpad en de slak trage discussies over wie het langzaamst vooruitgang boekt.

Wie verknocht is aan dierenverhalen – verhalen die de schrijver toestaan zoveel mogelijk fantasie te gebruiken en zijn verbeelding de vrije loop te laten, maar toch levensbelangrijke zaken aansnijden, zonder grootspraak – heeft aan ‘Iedereen was er’ een heel vette kluif.

Wie specifieke verhalen over een bepaald dier wil opsnorren, kan het register achteraan in het boek raadplegen. De verschillende diersoorten zijn alfabetisch opgelijst en gaan van aardslak over galworm, lijster en mammoet tot vuurvliegje, winterkoninkje en zwaluw.

Uit Tellegens vorige omvangrijke verzameling dierenverhalen ‘Misschien wisten ze alles’ heeft het Toneelhuis er enkele tot leven gebracht op scène. We zijn dan ook heel benieuwd of er uit ‘Iedereen was er’ ook materiaal zal worden vertoond. Aan boeiend en fantasierijk materiaal om de dierenwereld uit te beelden is er alleszins geen gebrek.

© Els Hesemans
Oorspronkelijk gepubliceerd op CuttingEdge.be

Multimedia:

  • Een korte animatie van Christa Moesker, gebaseerd op een verhaal uit de bundel ‘Iedereen was er’ van Toon Tellegen.

Gepost door: Erwin Tommissen | april 14, 2009

Tomas Lieske – ‘Een ijzersterke jeugd’

Lynchiaanse lust

lieske_jeugd1Dat een beeld vaak veel meer vertelt dan duizend woorden, wordt nog maar eens bewezen door de omslagfoto ‘Widow with her sons’ van de vermaarde Duitse fotograaf August Sander die de nieuwe novelle van Tomas Lieske siert. De gepijnigde gezichten en de priemende ogen van de moeder en haar twee kinderen laten al vermoeden dat Lieske in de opvolger van zijn voor de AKO Literatuurprijs genomineerde roman ‘Dünya’ geen alledaags verhaal opvoert. Het van Hella S. Haasse geleende motto van deze novelle bevestigt vervolgens alleen maar dat venijnige voorgevoel: ‘De lust liet zich niet wegdenken, tastte iedere triomf aan.’

Ton van Drunen – want zo heet de man die onder het pseudoniem Tomas Lieske in de literaire wereld bekend staat echt – voert in ‘Een ijzersterke jeugd’ twee bevreemdende personages op in een onheilspellend verhaal dat zich afspeelt in het fictieve bergdorpje Lodron, ergens in Midden-Europa.

Nadat er in het ogenschijnlijk vredig dorpje een jongetje verdwijnt, worden vier partijleden naar Lodron gestuurd om de onrustwekkende verdwijning te onderzoeken. Het wordt al snel duidelijk aan welke zijde van het politieke spectrum hun partij zich situeert als een van de zelfbenoemde onderzoeksrechters in zijn dagboek noteert dat hij gekomen is om de anarchie in Lodron te bestrijden, om te registreren wie nuttig is en vooral om te noteren wie de oorspronkelijke bewoners zijn en wie de vreemdelingen.

De dagboekfragmenten van Dr. Schedel worden afgewisseld met die van de vrijgevochten Augustine, de bediende van de partijleden. De aantrekkelijke tiener moet niet alleen instaan voor de huishoudelijke taken, er wordt van haar verwacht dat ze ook aan alle andere verlangens van de partijleden tegemoetkomt. Vooral Dr. Schedel raakt al snel doordrongen door een allesverterende lust voor de jonge deerne: ‘In die vonkende rechthoek tussen de deuren stond een meisje van een jaar of dertien, veertien. Haar nietig postuur werkte als een zwavellont en zij vulde de ruimte tussen de twee hoge helledeuren met flonkervuur. Een hittebestendige engel die ons een onbegrijpelijke boodschap kwam brengen.’

Al snel komt de ware aard van beide protagonisten bovendrijven. Dr. Schedel doet zich aanvankelijk voor als ‘een aimabel mens’, maar blijkt al snel een machtswellustige persoonlijkheid van fascistische signatuur te zijn. Het op het eerste gezicht naïeve meisje Augustine ontpopt zich op haar beurt dan weer als een uitdagende intrigante die haar ontluikende seksualiteit met brio uitspeelt. Dr. Schedel en Augustine worden voortgedreven door een onbedwingbare lust die hen – zoals het motto van Hella S. Haasse al voorspelde – uiteindelijk fataal zal worden.

Het door fascisme, wellust en intriges gedomineerde beeld van de mensheid dat Tomas Lieske hier schetst, oogt niet bijster fraai. Vrolijk word je dan ook zeker niet van het lezen van ‘Een ijzersterke jeugd’, maar het boek heeft wel de absolute verdienste dat het al je maatschappelijke zekerheden even op zijn grondvesten laat daveren. Deze grimmige novelle confronteert je onomwonden met het gegeven dat elke mens, gedreven door lust, van het ene op het andere moment tot de grootste onmenselijkheid in staat is.

‘Een ijzersterke jeugd’ is een intimiderende novelle over de duistere driften die zich in de uithoeken van onze hersenen afspelen en die maar zelden onomwonden met de buitenwereld gedeeld worden. Een netelig boek dus, dat – net zoals de beste films van David Lynch – ook nog dagenlang na het dichtklappen ervan vervaarlijk in je gedachten blijft nagalmen.

© Erwin Tommissen
Oorspronkelijk publiceerd op CuttingEdge.be
Gepost door: Els Hesemans | april 7, 2009

Julia Kelly – ‘Met mijn luie oog’

Veelbelovend Iers debuut

julia_kelly_metmijnluieoog_jpeg2‘Met mijn luie oog’ is de debuutroman van de Ierse schrijfster Julia Kelly. In onze contreien doet haar naam misschien niet direct een belletje rinkelen, aan de andere kant van het water daarentegen heeft ze al enige bekendheid verworven. Haar debuut kaapte in Ierland vorig jaar namelijk de Irish Book Award voor ‘Best newcomer’ weg en zorgde ook voor een heuse stormloop in de boekenwinkels.

Haar boek vertelt het verhaal van een opgroeiend meisje in het Ierland van de jaren tachtig. Zoals de titel aangeeft, heeft het hoofdpersonage Lucy een lui oog. Niet alleen haar oog is lui te noemen, ook van karakter is Lucy lui aangelegd. Ze wil veel bereiken in haar leven, maar heeft dikwijls de moed of gewoonweg de zin niet om aan de slag te gaan.

Lucy is in het gezin waarin ze opgroeit een buitenbeentje te noemen. Haar broers en zussen zijn slim en passen in het plaatje dat haar vader, een bekend wetenschapper, in gedachten heeft. Niet alleen qua uiterlijk valt Lucy daarbuiten, maar ook qua doelen in het leven bewandelt zij niet de weg die haar vader voor haar heeft uitgestippeld.

‘Met mijn luie oog’ is eigenlijk het verhaal van een doorsnee meisje dat de verschillende fases van de puberteit meemaakt, van haar eerste menstruatie tot aan haar eerste vriendje, en die stilaan haar weg zoekt in het leven. Naast de verschillende fasen van de puberteit staat ook de vaak moeilijke verhouding tussen jongeren en hun ouders centraal. Dit uit zich in het specifieke verhaal van Lucy, die duidelijk hunkert naar liefde en erkenning, voornamelijk van haar vader.

Op zich is het thema – een puberend meisje dat enigszins overhoop ligt met zichzelf en haar ouders – niet bijzonder origineel. Het is dankzij de schrijfstijl van de Ierse Kelly, specifiek door de nogal vaak humoristische beschrijvingen die soms enorm tot in detail worden verteld, dat het boek leest als een trein. Het is dus niet zozeer de inhoud van het boek dat bijblijft, maar voornamelijk Julia Kelly’s schrijfstijl. Ze slaagt er op wonderbaarlijke manier in om in de allerkleinste details grote waarheden te verkondigen. We kunnen het alleen maar eens zijn met de Ierse schrijver John Banville toen hij zei dat Julia Kelly ‘de meest frisse stem in Ierse fictie is sinds de beginromans van Edna O’Brien.’ Een dame waarvan we in de toekomst beslist nog meer verbazingwekkend werk gaan zien. You go girl!

© Els Hesemans
Oorspronkelijk gepubliceerd op CuttingEdge.be

Oudere Berichten »

Categorieën