Feed on
Berichten
Reacties

Literaire sociologie

De P.C. Hooftprijs ging dit jaar naar de Nederlandse socioloog, essayist en columnist Abram de Swaan, en die uitverkiezing was een meer dan terechte bekroning voor het essayistische werk van een van de meest gerenommeerde publieke intellectuelen van onze noorderburen.

Beroepshalve was De Swaan hoogleraar sociologie en later sociale wetenschap aan de universiteit van Amsterdam tot hij vorig jaar met emeritaat ging. Sinds zijn vijftiende heeft hij zich naar eigen zeggen toegelegd op het wetenschappelijk kijken naar de samenleving, naar de mensen om zich heen en naar zichzelf. Dankzij zijn onbedwingbare nieuwsgierigheid naar het gedrag van zijn medemensen ontwikkelde hij zich tot dé toonaangevende socioloog van Nederland, die door zijn vakbroeders zowat jaarlijks tot ‘meest vooraanstaande socioloog’ werd verkozen.

Naast zijn universitaire carrière werkte De Swaan ook aan een essayistisch oeuvre dat raakvlakken vertoont met geschiedschrijving, sociale filosofie en opiniërende journalistiek. Jarenlang schreef hij als een ware homo universalis essays, columns en krantenartikels waarin hij het had over onderwerpen die zijn vakgebied ver te buiten gingen. Een selectie van De Swaans publicaties verscheen in 1999 in ‘De draagbare De Swaan’, een bloemlezing van zijn werk die nu - naar aanleiding van zijn bekroning met de P.C. Hooftprijs - in een herziene druk opnieuw in de boekhandels ligt.

‘De draagbare De Swaan’ biedt een mooi overzicht van de ontwikkeling van De Swaans oeuvre, want de gekozen teksten dateren uit verschillende periodes en behandelen de belangrijkste onderwerpen waarover hij in de loop der jaren heeft geschreven. Door al zijn teksten heen, over onder meer de verwerking van het oorlogsverleden, de verzorgingsstaat, kunst en cultuur en de mondialisering, toont De Swaan dat hij naast een schrijvende socioloog vooral ook een erudiete essayist is. In de geest van de zogeheten Amsterdamse school - die sterk beïnvloed is door de Duits-Britse socioloog Norbert Elias - analyseert en interpreteert hij de wereld in fonkelende zinnen, waar veel andere sociologen eerder zweren bij empirisch onderzoek met behulp van statistische modellen.

Je vindt dus geen jargon bij De Swaan, maar wel een glasheldere en begrijpelijke taal die ervoor zorgt dat ook niet-ingewijden zich volop kunnen laven aan zijn scherpzinnige inzichten en zo een andere kijk op de mens en de maatschappij kunnen verwerven. Als geen ander speelt De Swaan bovendien ook in op de intellectuele vermogens van zijn lezers door telkens weer een originele draai aan zijn gevarieerde onderwerpen te geven. Het is die combinatie van verbale virtuositeit en scherpzinnigheid die ervoor zorgt dat Abram de Swaan al jarenlang een van de meest veelzijdige auteurs uit het Nederlandse taalgebied is die een internationale academische erkenning koppelt aan een vlot leesbare stijl. Met zijn werk heeft De Swaan - zoals de jury van de P.C. Hooftpijs terecht opmerkte - ‘niet alleen de sociologie verrijkt, maar ook de Nederlandse essayistiek’.

In ‘De draagbare De Swaan’ vind je een uitgebreide staalkaart van de essays en columns die de nestor van de Nederlandse sociologie de afgelopen jaren in diverse media en boeken heeft gepubliceerd. Deze bloemlezing vormt daardoor een ideale en toegankelijke kennismaking met het invloedrijke oeuvre van Abram de Swaan.

Oorspronkelijk gepubliceerd op CuttingEdge.be op 16 juli 2008

boekcover © Bert Bakker

Multimedia:

  • Een interview met Abram de Swaan door Iris en Klaas Koppe van Literatuurplein

Een Russisch eksteroog

Johan de Booses reisverslag ‘De grensganger. Reis langs de ruïnes van het IJzeren Gordijn’ werd onlangs bekroond met de Henriette Roland Holstprijs, een prijs die literatuur bekroont die zowel uitmunt door sociale bewogenheid als door literair niveau. In zijn nieuwste boek ‘Het geluk van Rusland. Reis naar het eenzaamste volk op aarde’ richt de ervaren Oost-Europareiziger De Boose de steven naar Rusland, en dat is niet verwonderlijk. Sinds de doctor in de slavistiek in 1980 voor het eerst in de toenmalige Sovjet-Unie was, is hij zowat jaarlijks naar Rusland teruggekeerd, afwisselend in de gedaante van journalist, toerist en reisleider.

In ‘Het geluk van Rusland’ verzamelt Johan de Boose de indrukken die hij tijdens meer dan 25 jaar reizen door Rusland opdeed in één meeslepend boek, terwijl hij tegelijkertijd op zoek gaat naar de Russische ziel. De passie voor zijn onderwerp is voelbaar aanwezig in De Booses boek, maar het is geen onvoorwaardelijke passie, wel een waarin ‘liefde weerzin voedt en vice versa’. Johan de Boose gebruikt het treffende beeld van een eksteroog om zijn speciale verhouding met Rusland weer te geven: ‘Rusland is mijn favoriete eksteroog. Waag het niet op mijn voet te gaan staan. Als u dat evenwel doet, wat ik u verzoek, begin ik meteen vurig te vertellen en weet ik van geen ophouden: waar zullen wij beginnen?’

Waar kun je een boek over Rusland beter beginnen dan in Moskou, de ‘duurste, chicste, extravagantste, onvoorspelbaarste en meest wetteloze plek’ van het land? Johan de Boose neemt ons in het eerste deel van zijn boek mee op ‘een wandeling doorheen de geschiedenis van de hoofdstad’ waarin hij ons onder meer laat kennismaken met de geheimen van het Kremlin, en in zijn ontmoetingen met de meest uiteenlopende personages afwisselend de grootste grandeur en de ellendigste armoede van de Russische hoofdstad aan den lijve ervaart. Moskou is een stad die tegelijkertijd aantrekt en afstoot, en De Boose heeft er dan ook een haat-liefdeverhouding mee: ‘Ik hou van je, Moskou, maar in liefde zeg ik je: onder je rokken, hoer, stink je.’

Ongeveer halfweg in dit boek schrijft Johan de Boose ‘Ik wou dat ik de grens tussen non-fictie en fictie in het echte leven kon opheffen’, wat hij meteen weergaloos in de praktijk brengt in ‘Geestenpost uit Sint-Petersburg’, waarin hij begint aan een ‘reis door de verbeelding, aangewakkerd door eindeloze lectuur’. In deze wandeling door de tijd ontmoet De Boose de schrijvers die in het Sint-Petersburg van de negentiende eeuw grote sier maakten. Onder anderen Fjodor Dostojevski, Boris Pasternak, Aleksandr Poesjkin en Nikolaj Gogol kruisen het pad van Johan de Boose in het tweede deel van zijn boek, waarin hij bewijst dat hij ook als fictieschrijver meer dan beslagen op het Russische ijs komt. Met het grootste gemak schakelt De Boose in ‘Siberië of de grondstof van de schepping’ vervolgens weer over op non-fictie als hij ons tijdens zijn ellenlange reis met de trans-Siberische spoorlijn naar de wereld achter de Oeral laat kennismaken met doodnormale Russen die in het onderkoelde Siberië elk op hun eigen manier op zoek zijn naar het geluk.

Johan de Boose is een bevlogen observator die je in dit met veel liefde geschreven boek meeneemt op een fascinerende ontdekkingstocht door het heden en het verleden van Rusland, gekruid met treffende citaten uit de indrukwekkende Russische literatuur. Ben je een liefhebber van het werk van Ryszard Kapuściński en Geert Mak? Neem dan zeker ook eens ‘Het geluk van Rusland’ ter hand, je zal er geen spijt van krijgen!

Oorspronkelijk gepubliceerd op CuttingEdge.be op 30 juni 2008

boekcover © Meulenhoff / Manteau

Multimedia:

  • Een filmpje van Boek.be over de roman ‘Noem het middernacht’ van Johan de Boose, naar aanleiding van de Literaire Lente 2007:

De kracht van de herinnering

In februari 1944 werden de chemicus Primo Levi en de arts Leonardo De Benedetti samen met 650 andere joden naar Auschwitz gedeporteerd. Ze overleefden de strenge selectie en werden tewerkgesteld in het kamp Buna-Monowitz, een op zeven kilometer van Auschwitz gelegen fabriek die voor IG-Farben synthetisch rubber produceerde. Toen het Rode Leger in 1945 met rasse schreden naderde, werden de inmiddels ziek geworden De Benedetti en Levi door hun Duitse bewakers in het kamp achtergelaten. Na een korte herstelperiode in het lazaret van Auschwitz kwamen beide heren in een Russisch doorgangskamp in het Poolse Katowice terecht, waar ze op verzoek van de kampcommandant een ‘rapport over de organisatie van de gezondheidszorg in het concentratiekamp voor joden Monowitz (Auschwitz - Opper-Silizië)’ schreven. Hun rapport verscheen een jaar later in een medisch tijdschrift, waarna het jarenlang in de anonimiteit verdween en pas in 1993 weer opdook in Levi’s verzameld werk. Pas nu, zo’n 63 jaar na datum, verschijnt het bewuste rapport als ‘Auschwitz-rapportage’ ook in een Nederlandse vertaling.

Zoals de oorspronkelijke, uitgebreide titel van het rapport al duidelijk maakt, hebben we hier te maken met een medisch rapport waarin beide auteurs het onder meer hebben over de hygiëne, de ziektes en de medische ingrepen in het kamp van Monowitz. Zoals een rapport dat vereist is de toon neutraal en zakelijk, wat soms nogal sinistere uitspraken tot gevolg heeft. Wanneer De Benedetti en Levi het bijvoorbeeld hebben over gevangenen die in de gaskamers van Birkenau werden geëlimineerd omdat ze aan syfilis, tuberculose of malaria leden, noopt hen dat tot de eufemistische uitspraak: ‘Het valt niet te ontkennen dat dit een zeer radicale en profylactische maatregel was!’ Een ander nadeel van de rapportstijl is dat de tekst nogal snel vervalt in een opsomming van feiten, waardoor er van leesplezier weinig of geen sprake is als je deze tekst onder ogen krijgt. De feiten reveleren bovendien ook niets nieuws meer, vermits de aangehaalde gebeurtenissen al meermaals aan bod zijn gekomen in de uitgebreide kampliteratuur en in de reportages over de Tweede Wereldoorlog waarmee Canvas ons maar blijft bestoken.

De vlag ‘Auschwitz-rapportage’ dekt dan weer niet volledig de lading van dit boek, vermits De Benedetti en Levi zich alleen maar tijdens de laatste oorlogsmaanden in een satellietkamp van Auschwitz bevonden. Als dan ook nog eens blijkt dat beide rapporteurs alleen maar als patiënten en dus niet als dokters in de ziekenbarakken aanwezig zijn geweest, waardoor ze al zeker geen blik achter de schermen hebben kunnen werpen, kun je niet anders dan een heel kritische houding tegenover de gerapporteerde wetenswaardigheden aannemen.

Ondanks alle tegenstrijdigheden heeft deze ‘Auschwitz-rapportage’ zeker ook zijn waarde. De feiten uit dit document vormen immers zowat de oertekst van bij de keel grijpende boeken als ‘Het periodiek systeem’, ‘Het respijt’ en vooral ‘Is dit nu een mens?’ die Primo Levi later zou schrijven. Het hoofdstuk ‘KB’ (Krankenbau of ziekenboeg) uit ‘Is dit een mens?’ zou er bijvoorbeeld nooit gekomen zijn zonder de lugubere feiten die in het rapport beschreven worden. Dit boek vormt dus een ideale aanvulling bij de andere kampliteratuur van Primo Levi en is een absolute must voor liefhebbers van zijn belangrijk werk. Boeken zoals die van Primo Levi zorgen er namelijk voor dat de herinnering aan een donkere periode uit onze geschiedenis levend blijft. Wie het verleden vergeet, is immers gedoemd om het later opnieuw te beleven.

Oorspronkelijk gepubliceerd op CuttingEdge.be op 23 juni 2008

boekcover © Meulenhoff

Multimedia:

Primo Levi keert terug naar Auschwitz:

Een vos verlies zijn haren, niet zijn streken

Blake Morisson is een literaire duizendpoot: hij ging aan de slag als literair redacteur voor o.a. The Times en The Observer, begon dan poëzie te schrijven en groeide langzaam uit tot schrijver van romans, biografische fictie, libretto’s en ballades. Bekendheid in Groot-Brittannië verwierf hij met zijn memoires over zijn eigen vader ‘En wanneer zag jij voor het laatst je vader?’. Verder staan nog een biografische roman over zijn moeder en een boek volledig gewijd aan de zaak-Bulger (een ophefmakende zaak in Groot-Brittannië rond het vermoorden van een peuter door twee minderjarige kinderen) op zijn schrijverspalmares.

Zijn nieuwste roman ‘Ten zuiden van de rivier’ wordt in Groot-Brittannië door de literaire pers omschreven als een ‘state-of-the-nation-roman’. Morissons laatste worp gaat over hedendaags Londen. De roman begint op de dag van de verkiezingsoverwinning van Labour met Tony Blair aan kop (2 mei 1997) en eindigt vijf jaar later (op 4 mei 2002), met een politieke kater. We krijgen als lezer het verhaal van vijf personages voorgeschoteld, verteld over een periode van de vijf eerste Blair-jaren. Hoewel het verhaal geschreven is tegen een politieke achtergrond, is het niet de politiek die centraal staat, maar eerder het verhaal van vijf doorsnee mensen, die elk hun eigen leven leiden en op een bepaalde manier toch onlosmakelijk verbonden zijn met elkaar.

Hoofdpersonage is wannabee-schrijver Nat. De andere vier personages waarrond de roman verder opgebouwd is, zijn Nats vrouw Libby, zijn minnares Anthea, zijn vriend Harry en zijn oom Jack. Bijna allen zijn ze voorstander van Labour en Blair. Enkel Harry, Nats vriend en ook de enige die niet uit Londen afkomstig is, is eigenlijk de enige die niet in de beloften van Labour gelooft. Zelfs Jack, Nats oom, een zeer conservatief man, geeft Labour het voordeel van de twijfel. Niet met alle Labour-standpunten is Jack het eens. Heikel punt is voornamelijk de vossenjacht, altijd al een heet hangijzer in het politieke landschap.

Jacks favoriete hobby bijvoorbeeld is die vossenjacht. Vandaar ook de vos op de cover van Morissons roman. Dit thema - vossen - loopt dan ook doorheen de roman als een rode draad. Uit onderzoek bleek de vos hét troeteldier van de moderne Engelsman, van de zogenaamde Homo Blairicus. De vos als symbool gebruikt Morisson in zijn roman op allegorische wijze. Het dier staat enerzijds symbool voor schattigheid, sluwheid en handigheid, maar anderzijds ook voor onverschilligheid, promiscuïteit en onbetrouwbaarheid. De vos is vaak alleen op pad en doet alles om maar te kunnen overleven in de stad. Al deze karaktertrekken zijn zowel bij alle vijf hoofdpersonages terug te vinden en geven eigenlijk weer dat elke mens een bepaald percentage van deze karaktertrekken met zich meedraagt.

Het was geenszins Morissons bedoeling om een historisch, geëngageerd, polemisch en politiek boek te schrijven, maar een verhaal neer te pennen over mensen van alledag, over fundamentele humane dingen die elk van ons kunnen overkomen. Morisson is hierin met verve geslaagd. Het is niet de eerste keer dat een schrijver politiek-sociale problemen zoals het industriële en economisch verval, groeiende verschillen tussen arm en rijk, het platteland en de stad etc. aan een bepaalde regeerperiode koppelt aan de verhaallijnen in zijn boek. Morisson echter doet dit op zijn meesterlijke wijze dat het vuistdikke boek van meer dan 600 pagina’s een mooi staaltje is van goed uitgewerkte verhaalplotten tegen een sociaal-politieke achtergrond. Dit is letterlijk en figuurlijk een dikke aanrader!

Oorspronkelijk gepubliceerd op CuttingEdge.be op 16 juni 2008

boekcover © New Amsterdam

Multimedia:

Blake Morrison over ‘Ten zuiden van de rivier’:

Blake Morrison in en over zijn schrijfkamer:

Schrijver en hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde Geert Buelens doet enkele opmerkelijke uitspraken over literaire kritiek in een opiniestuk in De Morgen van 18 juni naar aanleiding van het overlijden van de Nederlandse criticus Kees Fens.

‘Hoewel het aantal bladzijden cultuur- en mediaberichtgeving bepaald niet afneemt, verschijnen er steeds minder echte, laat staan diepgravende en kritische recensies van boeken. Vooral bij grote namen schotelt de krant veel liever een interview voor.

De technologie en een bescheiden subsidie van het Fonds voor de Letteren kunnen het mogelijk maken om professionele, diepgravende en kritische recencies van boeken gratis aan te bieden op het internet. Dan zal blijken hoeveel mensen erop zitten te wachten. Als het er erg veel zijn, passen de kranten hun beleid misschien opnieuw aan. De plannen bestaan, nu moeten ze alleen nog gesteund en uitgevoerd worden.

De criticus van de eenentwintigste eeuw zal wellicht niet in de krant maar op het internet naam maken. Dat is niet het einde van de wereld. Het is gewoon een nieuw begin.’

Vooral met die laatste stelling kunnen wij het alleen maar eens zijn, zeker als je kijkt naar de goed onderbouwde en kritische literatuurkritiek die websites als Recensieweb, Poëzierapport, CuttingEdge.be en einzelgangers als Achille Van Den Branden (die elke dag een boek leest) op het world wide web produceren, of naar het diepgravende literatuurnieuws dat vrijwel dagelijks te rapen valt bij onder andere Literatuurplein, De Contrabas en De Papieren Man.

Kent u zelf misschien nog een kwaliteitsvolle literatuurwebsite die we schabouwelijk over het hoofd hebben gezien in bovenstaand lijstje? Laat het ons dan vooral weten!

Multimedia:

De betreurde literatuurcriticus Kees Fens over ‘Nieuwe herinneringen’ van Remco Campert:

Duivelse noodlottigheid

De Kroatische schrijver Igor Štiks is amper 31 jaar oud, maar heeft al een bijzonder bewogen levensloop achter de rug. Op zijn vijftiende, toen de oorlog in de Balkan losbarstte, verliet hij zijn geboortestad Sarajevo. Hij woonde tien jaar als vluchteling in Zagreb, ging vervolgens in Parijs studeren en werkt momenteel in Chicago aan een doctoraat over burgerschap in ex-Joegoslavië. ‘De stoel van Elijah’ is zijn tweede roman, na zijn debuut ‘Een kasteel in Romagni’, dat uitgeroepen werd tot het beste Slavische debuut van 2006.

De spilfiguur in het verhaal is Richard Richter, een gelauwerde Duitse schrijver die wees werd nadat zijn moeder stierf in het kraambed en zijn vader zelfmoord pleegde na de Tweede Wereldoorlog. Wanneer zijn vrouw hem verlaat, besluit de op dat moment vijftigjarige Richter om Parijs achter zich te laten en terug te keren naar Wenen. In de Oostenrijkse hoofdstad zoekt hij zijn tante Ingrid op, die zich over hem ontfermde nadat zijn ouders gestorven waren.

Terwijl hij verbouwingswerken uitvoert in het huis van zijn pleegmoeder ontdekt Richter een kluis waarin een blauw notitieboekje van zijn moeder ligt. In het bewuste boekje staat een kladversie van een brief die zijn moeder een maand voor zijn geboorte schreef aan haar Joodse minnaar, Jakob Schneider, en waarin ze vertelde dat ze hoogzwanger was. Richter ontdekt dus dat zijn echte vader nog in leven is en besluit stante pede naar hem op zoek te gaan. Hij vertrekt naar Sarajevo, zogezegd om als dagbladverslaggever en tv-correspondent verslag uit te brengen van de pas losgebarsten Bosnische oorlog, maar in werkelijkheid vooral om na vijftig jaar eindelijk zijn echte vader te ontmoeten.

In Sarajevo maakt Richter, die na zijn schokkende ontdekking plotsklaps al zijn zekerheden verloren heeft, kennis met mensen die hem terug enig houvast zullen bieden. Vooral de oude Jood Simon en de beeldschone theateractrice Alma Filipovic, die in het belegerde Sarajevo Max Frisch’ roman ‘Homo faber’ op de toneelplanken brengt, zullen een beslissende rol spelen in de zoektocht naar Richters vader. De ontknoping is zo desastreus dat Richter zowaar de claus uit Sophocles’ ‘Oedipus’, ‘Je zult sterven en op dezelfde dag geboren worden’, aan den lijve ondervindt en een wel erg drastische beslissing neemt, waarna niets ooit nog hetzelfde kan zijn. Igor Štiks schudt hier een magistrale plot uit zijn mouwen, die je even de adem beneemt van spanning en verbazing.

Met ‘De stoel van Elijah’ levert Igor Štiks een verbluffende staalkaart van zijn kunnen af. In wervelende zinnen verhaalt hij over de door een duivels toeval bepaalde lijdensweg van Richard Richter tegen de achtergrond van het door oorlog verscheurde Sarajevo waar elk moment een sluipschutter kan toeslaan. Tegelijkertijd laat Štiks zijn onverbloemde licht schijnen over de grote gebeurtenissen die in zijn ogen de Twintigste Eeuw domineerden: de Holocaust, het communisme, het multiculturele ideaal en de afzijdige rol van Europa tijdens de oorlog in Joegoslavië. Voeg daarbij nog de intelligente wijze waarop Štiks de Griekse tragedies in zijn roman verwerkt en zijn erudiete beschouwingen over Max Frisch’ roman ‘Homo faber’, en je kunt niet anders dan concluderen dat ‘De stoel van Elijah’ een dijk van een roman van een multigetalenteerd schrijver is. Het werk van de relatief jonge Igor Štiks kan nu al zonder blikken of blozen naast dat van absolute grootheden van de Servisch-Kroatische literatuur als Danilo Kiš en Aleksandar Tišma staan, en dat is een prestatie die moeilijk kan worden overschat.

Oorspronkelijk gepubliceerd op CuttingEdge.be op 10 juni 2008

 boekcover © De Bezige Bij

Multimedia:

Zure melk

‘Stilte en melk voor iedereen’ is de tweede roman van David Nolens, na zijn positief onthaalde debuutroman ‘Vrint’ en de novelle ‘Het kind’. In het literaire werk van de zoon van dichter Leonard Nolens speelt de maakbaarheid van de mens steeds een centrale rol. In zijn debuutroman liet Nolens een beeld tot leven komen en op de omslag van zijn nieuwe roman staat niet geheel toevallig het beeld ‘Andromeda’ van Auguste Rodin.

David Nolens gaf zijn boek een motto van de Catalaans-Franse psychiater François Tosquelles mee: ‘Het voornaamste kenmerk van de mens is dat hij gek is. Het probleem is te weten hoe je die gekheid moet verzorgen.’ Meteen is de toon gezet voor het vervolg van het boek, want qua vorm en inhoud is ‘Stilte en melk voor iedereen’ zeker geen alledaags boek. In korte zinnetjes vol treffende metaforen vertrouwt Nolens een megalomane gedachtestroom aan het papier toe. Centraal in het verhaal staan een man en een vrouw die midden in een relatiecrisis zitten, maar doordat de ene gedachte bij Nolens automatisch in de andere overvloeit, laat de jonge Vlaamse schrijver tegelijkertijd ook zijn licht schijnen over de stand van zaken in de politiek en de media.

Het verhaal is grotendeels geschreven vanuit de blik van Sarah, een ‘schoonheid die mannen depressief maakt’. Een vrouw die tegelijkertijd onweerstaanbaar en gevaarlijk is, maar die toch door zowat alle mannen begeerd wordt als een soort van oermoeder die iedereen de borst geeft. De president, de popmuzikant, de zwartzak, de hoofdredacteur…allemaal komen ze op bezoek bij Sarah, die met haar moedermelk een tegengif vormt voor de leegte van de wereld die hen omringt. Alsof dit allemaal nog niet absurd genoeg is, voert David Nolens in zijn rariteitenkabinet ook nog de depressieve echtgenoot van Sarah op. Een man die geplaagd wordt door dwanggedachten en een absurde fascinatie voor zijn anus ontwikkelt.

Naast melk heeft ieder mens in Nolens’ ogen ook stilte nodig. In het verhaal zelf kun je er alvast niet naast kijken, want na ieder fragment roept het tussen haakjes geplaatste woord ‘stilte’ je op om even te pauzeren. ‘Stilte en melk voor iedereen’ wekt de indruk dat David Nolens geen hoge pet op heeft van de mensheid en dat iedereen dringend behoefte heeft aan stilte en melk om terug op het rechte pad te raken. Dat zal echter niet eenvoudig zijn, want ‘de westerse mens is een donut. In het midden is een gat geslagen. We krijgen hem niet meer gevuld.’

Ondanks de wat kritische ondertoon is ‘Silte en melk voor iedereen’ een boek dat bijzonder vlot leest. Iets wat grotendeels te danken is aan de dichterlijke taalbeheersing van David Nolens, die als het ware uit de losse pols zinnen neerschrijft die je zo snel mogelijk uit het hoofd zou willen leren om ze eindeloos te kunnen citeren. Bovendien zorgen de constant wisselende gebeurtenissen - een gevolg van Nolens’ associatieve vertelstijl - ervoor dat er zich telkens weer nieuwe wendingen in het verhaal openbaren, waardoor je nieuwsgierigheid steeds weer op de proef gesteld wordt.

Met ‘Stilte en melk voor iedereen’ bevestigt David Nolens al de goede commentaren die over hem de ronde deden naar aanleiding van zijn eerste twee pennenvruchten. De wijze waarop hij in deze roman in een grotesk verhaal tussen de regels door zijn gal spuwt over de gang van zaken in de wereld, mag meer dan gezien worden en doet reikhalzend uitkijken naar toekomstig werk van Nolens junior. Stilte en melk, maar vooral ook veel bewondering en respect voor het schrijftalent van David Nolens dus!

Oorspronkelijk gepubliceerd op CuttingEdge.be op 13 mei 2008

boekcover © Meulenhoff / Manteau

 Multimedia:

Het radioboek ‘De tijdgenoot’ van David Nolens

Moeders wil is wet

Wat is een ramp? Een dertiger die alleen woont, zonder lief zit en dan nog onverwachts zijn betuttelende en bemoeizieke moeder over de vloer krijgt met de steeds terugkerende vraag: ‘Waarom heb je nog altijd geen lief?’ Wat is een nachtmerrie? Als diezelfde moeder niet alleen voor één dagje komt, maar doodleuk aankondigt dat ze een hele week zal blijven om ‘haar zoon te leren kennen zoals hij echt is’.

Het overkomt Matt, Paul en Daniel in de roman ‘Als jij maar gelukkig bent’ van de 37-jarige Brit William Sutcliffe. Hun moeders, Helen, Carol en Gillian, die al jarenlang vriendinnen zijn en één keer per maand een theekransje houden om bij te kunnen praten en hun beklag over de zonen te doen, sluiten op een gegeven moment een soort van pact om een week bij hun zonen te gaan logeren. Aangezien ze geen van drieën noch vrouw, noch vriendin, laat staan kinderen hebben, vinden de drie het hoog tijd dat daar verandering in komt.

‘Als jij maar gelukkig bent’ vertelt de belevenissen van de logeerpartij van de drie moeders, waardoor de lezer beetje bij beetje meer te weten komt over de drie hoofdpersonages. Paul blijkt homo te zijn, Matt werkt voor een mannenblad en verslindt de ene onenightstand na de andere, terwijl Daniel nog steeds loopt te treuren over een stukgelopen relatie. Hoog tijd dus dat de moeders ingrijpen. De 37-jarige auteur weet als geen ander de belevenissen en de interacties van de zonen en hun moeders op een vaak cynische, maar altijd heel grappige wijze te beschrijven. Hoewel Sutcliffes thema’s in zijn romans vaak een serieus karakter hebben, benadert hij deze thematiek altijd met enige humor, vaak tongue in cheek.

Het hoofdthema in ‘Als jij maar gelukkig bent’ is het gebrek aan communicatie tussen moeder en zoon. Beter gezegd: de miscommunicatie. Vaak hebben moeders goede bedoelingen met hun zonen, maar bij het overbrengen van de boodschap loopt het vaak spaak. Zo klinken de woorden ‘als jij maar gelukkig bent’ uit moeders mond meestal heel cynisch en ironisch, totaal anders dan als iemand anders ze zou uitspreken.

De roman zit dan ook vol grappige scènes, hilarische confrontaties tussen moeder en zoon waar misverstanden niet weg te denken zijn. Sutcliffe schrijft met scherpe pen en een vleugje humor. De dialogen zijn goed op elkaar afgestemd en Sutcliffe heeft zeker kaas gegeten van de niet altijd even gemakkelijke verhouding tussen moeder en zoon. Zelf is hij getrouwd en heeft een kind. Autobiografisch is het verhaal volgens Sutcliffe niet, maar herkenpunten zijn er zeker wel te bespeuren. Dat is dan ook een van de sterktes van de roman.

Hoewel de lezer zichzelf niet per se zal herkennen in een van de hoofdpersonages, zijn de situaties wel uiterst herkenbaar en vaak hilarisch. Licht verteerbaar, grappig en vlot leesbaar zijn de sterkste kenmerken van deze roman. Als je als lezer verlangt naar een stukje humor in een kort en bondig romannetje, ben je met ‘Als jij maar gelukkig bent’ aan het juiste adres. Het is geen blijver, het thema is niet heel origineel, maar wel op een heel originele - lees humoristische en goed opgebouwde structuur - manier verwoord, en het leest als een trein. Wat wil een mens nog meer bij zo’n mooi weer?

Oorspronkelijk gepubliceerd op CuttingEdge.be op 5 mei 2008

 boekcover © Prometheus

Multimedia:

Een interview met William Sutcliffe over zijn roman ‘Whatever makes you happy’:

Mexicaanse horror

Na de Tweede Wereldoorlog werd er in de Nederlandse literatuur gesproken over de Grote Drie: Willem Frederik Hermans, Gerard Reve en Harry Mulisch. Latijns-Amerika kwam nog straffer uit de hoek met zijn Grote Vier: de Argentijn Julio Cortazár, de Colombiaan Gabriel García Márquez, de Peruviaan Mario Vargas llosa en de Mexicaan Carlos Fuentes. De eerste heeft inmiddels het tijdelijke voor het eeuwige verruild, maar de onnavolgbare verhalenvertellers Márquez, Vargas llosa en Fuentes blijven op geregelde tijdstippen nog steeds romans afleveren waarin ze de persoonlijke levenswandel van hun hoofdpersonages op dromerige wijze verweven met de grote historische gebeurtenissen in hun vaderland.

De inmiddels tachtigjarige Carlos Fuentes wordt al sinds mensenheugenis beschouwd als de belangrijkste Mexicaanse schrijver. Juan Rulfo en Octavio Paz waren ook buitengewone schrijvers, maar toch is Fuentes voor velen de onbetwiste chroniqueur van de Mexicaanse geschiedenis en samenleving. Als geen ander maakt Fuentes er een erezaak van om in zijn boeken een stem te geven aan álle lagen van de Mexicaanse bevolking. Ook op zijn gezegende leeftijd blijft hij nog op geregelde tijdstippen essays schrijven voor de kranten ‘El pais’ en ‘Reforma’, en met ‘Alle gelukkige gezinnen’ - ligt er momenteel weer een nieuwe, vuistdikke roman van de nestor van de Mexicaanse literatuur in de boekhandels.

De roman kreeg als motto een citaat uit ‘Anna Karenina’ van Lev Tolsoi mee: ‘Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar, elk gezin is op zijn eigen manier ongelukkig.’ Eén citaat zegt soms meer dan duizend woorden, en dat is ook hier weer het geval. Deze roman laat zonder schroom zien wat er allemaal mis gaat in de veelkleurige Mexicaanse gezinslevens. Naar goede gewoonte portretteert Fuentes hier niet het klassieke gezin, maar wel een bonte verzameling van gezinnen die gestalte geven aan de verscheidenheid van de Mexicaanse samenleving: een commandant die moet kiezen welke van zijn twee zonen moet sterven, een priester die zijn dochter in een dorp verbergt, een vader die wil dat zijn zonen tegen hun zin priester worden, een moeder die aan de moordenaar van haar dochter een brief over haar leven schrijft, enzovoort.

Dit is geen roman in de klassieke zin van het woord, maar eerder een verzameling van zestien kortverhalen waarin Fuentes telkens één facet van een Mexicaans gezin beschrijft. Het beeld dat hij van Mexico schetst, stemt je alvast niet vrolijk. De ene Mexicaanse generatie na de andere wordt in Fuentes’ ogen geconfronteerd met seksueel misbruik, corruptie, racisme, geweld en zelfs moord. De ruwe  sfeer die van dit boek uitgaat, wordt nog versterkt door de koren die zoals in een Griekse tragedie voor de samenhang tussen de verschillende verhalen zorgen. Deze koren, die onder meer bevolkt worden door misbruikte dochters, weesjes en straatkinderen, vertolken de stem van het Mexicaanse volk en schreeuwen al rappend hun ellende uit.  De slotregels van het koor zijn wat dat betreft alleszeggend: de van Joseph Conrad geleende en door de film ‘Apocalypse now‘ inmiddels onsterfelijk geworden woorden: ‘het geweld, het geweld’.

Van begin tot eind druipen de bladzijden van dit boek van de pijn en het venijn, en in combinatie met de nog steeds virtuoze schrijfstijl van Carlos Fuentes die als geen ander beklijvende personages tot leven kan wekken, maakt dit van ‘Alle gelukkige gezinnen’  een boek dat nog het best vergeleken kan worden met een Mexicaanse peper: vlijmscherp op je tong en met een beetje pech nog lang op je maag liggend.

Oorspronkelijk gepubliceerd op CuttingEdge.be op 28 april 2008

boekcover © Meulenhoff

Multimedia:

Carlos Fuentes legt uit wat Latijns-Amerikaanse literatuur zo bijzonder maakt:

Een ruim fragment van een lezing die Carlos Fuentes aan het Dartmouth College gaf:

Eerbetoon aan de Meester

Twee weken nadat literair Vlaanderen en Nederland in de Bourlaschouwburg de begrafenisplechtigheid voor Hugo Claus bijwoonden, liet het Toneelhuis in samenwerking met Behoud de Begeerte de Meester opnieuw verrijzen. ‘Een hommage met oesters’. Zo titelde de viering die afgelopen zondag plaats vond in de Bourlaschouwburg met tal van collega-schrijvers van Hugo Claus, muzikanten, dichters, acteurs en artiesten. Stijn Meuris opende de avond met zijn soloperformance van ‘Van God los’. Tom Lanoye haalde daarna messcherp uit naar kardinaal Danneels en zijn uitspraken over euthanasie en benadrukte dat Claus op dezelfde manier uit het leven stapte zoals hij altijd geleefd had: als een groot Meester.

Veel acteurs en schrijvers brachten hulde aan Claus door zelf gekozen gedichten voor te lezen. Ook bepaalde fragmenten uit zijn romans werden aangehaald. Zo las acteur Jan Decleir stukjes voor uit ‘Het verdriet van België’ en het toneelstuk ‘Gilles’. Leonard Nolens ging dan weer wat dieper in op Hugo’s karakter en benadrukte dat hij - als francofiele flamingant - hield van zijn vaderland België, van friet maar ook van oesters. Tijdens de pauze was deze laatste lekkernij en het lievelingsgerecht van Claus te verkrijgen aan de bar.

De avond stond volledig in het teken van de dingen waarvan Claus hield: wat hem raakte, maar ook wat hem plezierde. Zo werd er ook een hilarisch fragmentje getoond over boer Charel, het beruchte interview van Paul Jambers met de alleenstaande boer die aan Vlaanderen de penibele toestand van zijn huis en omgeving laat zien en waarin hij een oproep doet voor een vrouw. Een hilarische en komische interventie tussen alle stukken poëzie door.

Ook het liedje van de Nederlandse schlagerzangeres Marijke Boon met accordeon ‘Ik zal je nooit vergeten’, met een sm-ondertoon, zo bleek, werd met veel gelach onthaald door het publiek. Andere muzikale intermezzo’s werden gebracht door o.a. Tom Barman (‘Nothing really ends’ en ‘Right as rain’), Admiral Freebee, Els Dottermans en een heel getalenteerd operakoor. Terwijl de Nederlandse schrijfster Connie Palmen met de nodige ophef en dramatiek koos voor een laudatio aan Hugo Claus, opteerde dichter Joost Zwagerman voor het lezen van zijn eigen gedicht ‘Kanshebber’, over de nominatie van Claus voor de Nobelprijs Literatuur.

Tijdens de voorstelling werden ook foto’s van Claus op een groot scherm geprojecteerd en tegen het einde aan werd de Meester zelf aan het woord gelaten in een filmpje over ‘Nu nog’. In het laatste gedeelte werden in memoriams van Claus bij het overlijden van verschillende bekenden, zoals Herman de Coninck, voorgedragen door Remco Campert, Bart Moeyaert, Piet Piryns en Leonard Nolens.

Door de avond heen was er heel veel respect en liefde voor de grote schrijver te merken in de zaal. De liefde vormde dan ook het slotthema van de avond. Een resem liefdesgedichten breide een poëtisch einde aan de vier uur durende hommage, waarvan mevrouw Veerle Claus, duidelijk geëmotioneerd, het laatste woord had. De toeschouwers konden achteraf terugblikken op een goed geprogrammeerde en gevarieerde avond vol muziek, grappige, ontroerende, poëtische momenten, een avond waar Claus gegarandeerd blij mee zou zijn geweest.

 Oorspronkelijk gepubliceerd op CuttingEdge.be op 16 april 2008

foto © Mina Van Elewyck

Oudere Berichten »